|
Nieuws van het poëziecafé
Beeldende Kunst centraal
tijdens vierde editie van PoëzieCafé De Zingende Zaag

I n het kader van de Kunstlijn stond PoëzieCafé De
Zingende Zaag op 6 november volledig in het teken van beeldende kunst.
Stadsdichter George Moormann stelde een bijzondere bloemlezing samen van
zogenaamde beeldgedichten, dat wil zeggen gedichten geschreven over een bepaald
kunstwerk, en droeg een aantal van zijn meest recente stadsgedichten voor.
Diverse dubbeltalenten als Jenny Klevering (schilder en beeldhouwer),
Gerrie Hondius (striptekenaar), Renée Borgonjen
(tentoonstellingsmaker), Corlyn Bol (kunsthistorica) en Desirée de
Koster (auteur) droegen beeldgedichten van eigen hand voor. Een grote
verrassing was het optreden van Jacinta Heijmans (schilder) die voordroeg
uit recent herontdekte dichtbundels van haar overleden vader Eduard Heijmans.

Het gesproken woord werd afgewisseld met het gezongen woord van
minstreel Paul Marselje en Haarlemse stedenmaagd Dolly Bellefleur.
Ook nu was het publiek weer laaiend enthousiast en waren alle stoelen, krukken
en staanplaatsen bezet. Tip!: neem het volgende PoezieCafe (met o.a. een
PoetrySlam tussen twee Sinterklazen!) op zondagmiddag 4 december je eigen kussen
mee! Voorin naast het podium kun je dan voor de stoelen naast het gangpad
plaatsnemen! Programma begint om 17 uur. Deuren gaan open om 16.30 uur.
Allerlei soorten poëzie maar geen klappermanspoëzie
In het kader van de Kunstlijn was de vierde editie van het PoëzieCafé De
Zingende Zaag geheel gewijd aan de relatie woord en beeld. Er werden zogenaamde
beeld- of schilderijgedichten voorgelezen en er was veel aandacht voor
zogenoemde dubbeltalenten.
George Moormann kondigde een gevarieerd programma aan waar voor allerlei poëzie
plaats was maar niet voor klappermanspoëzie.
In het televisietijdperk waarin alles vooral leuk, gezellig, prettig
voorgesneden of hapklaar moet zijn moet men er voor waken dat ware poëzie door
ondeugdelijke rijmelarij wordt overstemd. De klappermanspoëzie klinkt steeds
vaker, en dat niet alleen met nieuwjaar, door de Haarlemse straten.
Klappermanspoëzie is een woord dat je al bij Frederik van Eeden vind. Het
herinnert ons aan de Nachtwachten die met hun glaasje te veel op de burgerij
rond Nieuwjaar trakteerden op hun kreupele en door iedereen te begrijpen verzen.
Een nieuwsjaarsgroet op rijm gesteld die een aardigheidje was geschikt als groet
of geldklopperij maar natuurlijk geen woordkunst die beklijft. Daaraan wordt als
het goed is met veel deugdelijker beitels en hamers gewerkt…

In zijn inleiding benadrukte George Moormann naast het uitmelken
van zijn of haar talenten het belang van veel lezen en oefenen. En dan nog…
echte dichters zijn zeldzaam als zwanen. Heil heerser, stadsbestuur of vorst die
over een goede poëtische smaak beschikt. Hem of haar wacht eeuwige roem. Maar
dan moet de vorst of bestuurder wel een zwaan van een lelijke eend te weten
onderscheiden. Moormann haalde in dit verband een mooi citaat van de dichter en
classicus J.P. Guépin aan (n.a.v. het meer dan voortreffelijke ridderepos
Orlando Furioso van Ludovico Ariosto 1471-1532):
"De gieren zijn vleiers, maar de zilveren zwanen zijn de dichters die er voor
zorgen dat mensen die de dichters waard zijn (uomini degni da’ poeti) aan
de vergetelheid ontrukt worden. O scherpzinnige vorsten met
onderscheidingsvermogen, die het voorbeeld van keizer Augustus volgt en U
dichters tot vriend maakt, waardoor U de golven van de Lethe niet hoeft te
vrezen!
Echte dichters zijn net zo zeldzaam als de zwanen, hetzij omdat de hemel een
grote hoeveelheid niet toestaat, hetzij door de gierigheid van de heren die de
heilige genieën (sacri ingegni) tot bedelaars maken, de deugd (kwaliteit)
onderdrukken en de goede kunsten verbannen. Omdat ze afkerig zijn van de poëzie,
verslindt de dood ze geheel. Ze zouden levend uit het graf rijzen, ook als ze
totaal verdorven waren; want, als ze maar zoveel inzicht hadden om de Parnassus
tot vriend te maken, ze zouden welriekender zijn dan nardus of myrrhe.”
Moormann betoogde verder: “Zelf zou ik zonder poëzie niet kunnen leven. Het is
niet enkel het zout maar ook de room in mijn pap. Zonder dat goedje zou ik niet
goed functioneren. Wat mij betreft zou je de definitie van functioneel
analfabetisme‚ best kunnen oprekken: wie geen poëzie verstaat of deze
verkwanselt met lukrake rijmelarij, want iedereen moet het toch kunnen
begrijpen, verdient het om voortaan functioneel analfabeet te heten.”
Na George Moormann’s krachtige pleidooi voor de poëzie trad mede-organisator
Dolly Bellefleur voor het voetlicht met een persiflage op dwarsfluitiste
Berdine Stenberg.
De eerste voordracht was van Jenny Klevering.
Deze beeldhouwer en schilder van met name voluptueuze dames probeert in haar
beeldgedichten een antwoord te vinden op de vraag wat kunst nu eigenlijk (voor
haar) is.

Verrassend was het optreden van beeldend kunstenaar Jacinta
Heijmans die gedichten voordroeg van haar overleden vader Eduard Heijmans.
Met ieder gedicht van haar vader oogstte zij een geestdriftig applaus!
In de jaren zestig was Eduard Heijmans een bekend materieschilder. Dat wil
zeggen hij verwerkte in zijn schilderijen vreemde materialen als bijvoorbeeld
walvisbaleinen, ijzerafval van de hoogovens en touw. Hij had
solotentoonstellingen in o.a. het Stedelijk Museum in Amsterdam en het van
Abbemuseum in Eindhoven. In 1966 begon Eduard Heijmans aan een bijzondere serie
monotypes. Deze collectie is recentelijk herontdekt door galeriehouder Willem
Snitker. In 2006 zal er in zijn galerie De Bleeker in Heemstede een grote
overzichtsexpositie worden georganiseerd van deze monotypes en schilderijen van
zijn dochter Jacinta Heijmans. Eduard Heijmans publiceerde ook een aantal
gedichtenbundels getiteld de ik hater en 24 reliëfs. Het volgende
gedicht van Heijmans sluit mooi aan bij de problematiek die Jenny Klevering in
haar gedichten probeert te beantwoorden.
GEBOORTE VAN EEN SCHILDERIJ
het beklemde hart en angstige beangst beklemd paniek
het komt weldra rijp en zal dan gaan geworden
confrontatie met het witte vlak
en daarop zal het gaan gebeuren
roes en razernij buiten mij om mijn handen doen
het kan niet maar het is zo ben ik het zelf?
de vloed voorbij uitstorting van de roes voorbij
alles voorbij geboorte voorbij het is!

In een vraaggesprek met Joke Breemouer bleek dat haar,
met name door haar vader, de liefde voor taal met de paplepel is ingegoten. De
directeur van de Kunstlijn bedankte George Moormann en Dolly Bellefleur
uitgebreid voor hun uiteenlopende bijdragen aan deze twintigste editie van de
Kunstlijn. Zo verzorgden zij o.a. gezamenlijk de opening van de Kunstlijn en
presenteerde La Bellefleur, als een ware Dolly Dog, een hondenparade ter
gelegenheid van How much is that doggy in the window? (Een bijzondere
expositie in de etalages in de Spaarnwouderstraat). Moormann verzorgde niet
alleen de opening van de expositie Gewoon op je Bord (Keramikos) maar
stelde hier ook zelf werk ten toon. Tenslotte was er ook werk van Moormann te
zien op de expositie Playground (Patronaat). Zijn videokunst werd getoond met
die van internationaal bekende kunstenaars als Danielle Kwaaitaal en
Micha Klein. Over dubbeltalenten gesproken!
De favoriete gedichten van Joke Breemouer bleken Beginselen van Bert
Schierbeek, opgedragen aan de door Breemouer zo bewonderde Jan Sierhuis
en Eventjes van Hannes Meinkema. Een gedicht dat voor de vele
aanwezige vrouwelijke kunstenaars, ook Anno Dolly 2005!, uit de dagelijkse
praktijk bleek gegrepen:
EVENTJES
ik ga eventjes werken zegt ze tegen de kinderen
eventjes
moeten jullie me niet storen
en de precieze beelden die ze maakt
zijn de schrijnende en
levenslange
bronsgewordend veelheid van gevoel
van iemand die als ze het niet langer uithoudt
eventjes
in de auto voor de deur alleen moet zitten zijn.

Striptekenaar Gerrie Hondius behoort langzamerhand tot de
vaste en graag geziene gasten van het PoëzieCafé. Behalve Lijnentrekkers,
het leitmotiv voor haar eerste stripbundel Als je je niks verbeeldt dan ben
je niks (2000), las ze drie gedichten voor die in de voor haar zo
inspirerende omgeving van het PoëzieCafé zijn ontstaan.

De muziek werd deze keer verzorgd door de Haarlemse troubadour Paul
Marselje. Hij zong een aantal liedjes van zijn allernieuwste CD Daar woon
je, over Haarlem en omgeving.
Vooral zijn spotlied Zonder wethouders zal alles beter gaan sloeg aan bij
het enthousiast meezingende publiek.
Na een korte pauze zong Dolly een prachtige hertaling van Vincent, de
ballade van de Amerikaanse zanger Don Maclean over Vincent van Gogh.

Beeldende kunst is een belangrijke inspiratiebron in het leven van Desirée
de Koster. Zij was bijvoorbeeld lange tijd schildersmodel.
Op haar opmerking dat ze lange tijd het favoriete model was geweest van een
materieschilder reageerde Dolly zuchtend :
“Wat lijkt me dat mooi om geschilderd te worden door een materieschilder. Ik heb
het nooit verder geschopt dan een hysterieschilder.” De Koster schreef ook een
aantal gedichten in opdracht van het Cobramuseum over het werk van Anton
Heyboer, Pierre Alechinsky en Shinkichi Tajiri. Een primeur
deze middag vormden de gedichten die zij voordroeg uit een onlangs verschenen
bundel beeldgedichten die zij samen maakte met beeldend kunstenaar Joris
Verdonkschot (Erg mooie beelden! Vooral zijn koppen van Baudelaire en
Daumier boeiden George. Overigens is de bundel ook fraai uitgegeven. Je kunt
deze bestellen bij Spijk Art Projects te Venlo).
Kunsthistorica Corlyn Bol voltooide onlangs een roman over het leven van
Rembrandt waarin zij de heftige relatie tussen de schilder en zijn concubine
Geertje Dircx heeft proberen te reconstrueren. Dichters liegen de waarheid? Haar
roman blijkt een verrassende combinatie van fictie en werkelijkheid te zijn
geworden. Het publiek genoot van haar eigenzinnige voordracht.

In de vaste rubriek De Boekenkast van... dit keer het woord aan
Marion van Schaik van boekhandel H. de Vries. Op de vraag van George
Moormann of er in een grote algemene boekhandel als De Vries nog plaats is voor
poëzie gaf zij antwoord met een volmondig ja. Ze vertelde dat het Boekhandel de
Vries gaat om de kwaliteit van de boeken. Het gaat bij poëzie vaak om zogenaamde
‘eentjes en tweetjes’ maar toch verkoopt ze veel liever gedichtenbundels dan
bijvoorbeeld nieuwe edities van het Groene Boekje. De poëzie neemt bij De Vries
ook een bijzondere plaats in en staat op de meest sfeervolle c.q. ‘warme
afdeling’ namelijk in een voormalige paardenstal. Marion van Schaik koos een
gedicht van Remco Campert als favoriete gedicht en haalde een in de winkel
geschreven versje aan van Drs. P. die over de poëziekast van boekhandel H. de
Vries schreef: ‘Het tegendeel van tijdverlies is het vertoeven bij De Vries’.
Een boekhandelaar moet prioriteiten stellen. Dagelijks spelen er keuzes als:
gaat het om kwaliteit, past het in ons assortiment, hebben we er klanten voor en
zijn we zelf enthousiast. Aan dat enthousiasme ontbrak het bij de chef winkel H.
de Vries Boeken allerminst. Ze verklaarde het hartgrondig eens te zijn met Ian
McEwans pleidooi voor poëzie als roep om beschaving. Op de wetenschap vertrouwen
we blindelings, maar als we het hebben over de reddende kracht van de poëzie of
haar helende kracht rennen we snel een deurtje verder…
Ze raadde alle aanwezigen met klem aan zich naar de boekhandel te spoeden voor
McEwans prachtroman Saturday. George Moormann bedankte Marion voor haar
goede smaak en herinnerde het gehoor bovendien aan de jongste uitgave van De
Zingende Zaag; De Verloren Talisman, die ook al gaat over het wel of niet
geloven in de reddende of magische krachten van poezie. Zie
http://www.dezingendezaag.com/pages/talisman.html

Kunsthistorica Renée Borgonjen is geen onbekende in het Haarlemse
kunstleven. De afgelopen jaren stelde zij diverse spraakmakende
tentoonstellingen samen in o.a. het ABC Architectuurcentrum. We noemen
bijvoorbeeld de expositie Schrijvershuizen. Bij het zelfde ABC verscheen
ook Zig-Zag over het Sparen, een poëtische wandeling langs dat min of
meer gekanaliseerde stroompje van tien kilometer lang dat door de Spaarnestad
kronkelt. Haar gedicht De kus revisited, een hommage aan het gelijknamige
beeld van Auguste Rodin, werd onlangs door componist Heleen Verleur op muziek is
gezet en verschijnt binnenkort op de nieuwste CD van mezzo-sopraan Renée Harp.
DE KUS REVISITED
ze lazen over Lancelot,
Paolo en Francesca
proevend van de woorden op hun lippen
letters over de schreef
Dante viel voor hun verhaal,
zoals een dood lichaam valt
schreef ze voor eeuwig in het rond, in het rond
liet ze in helse cirkelen draaien
Rodin zette ze stil in de tijd in een beeld,
van steen en meer dan levensgroot en bloot
wij lopen eromheen
om die kus
het beeld als koppelaar, Galeot
het beeld, het boek en het verhaal
geen slot, er komt geen einde aan
in tongen en talen
en een slang die in zijn staart bijt
Spontane bijdrages

Marion Reulen, de voorzitter van de kunstenaarsvereniging De Vishal
droeg tijdens een verrassingsoptreden een gedicht van Erik van Os uit zijn
bundel Ik was zo’n steentje in jouw schoen (Uitgeverij Zirkoon, 2001)
voor.
Na het tweede optreden van Paul Marselje las Dolly Bellefleur het gedicht
Schilderij voor van de dichter en journalist Jan Fekkes. Die was wel
uitgenodigd maar kon niet aanwezig zijn.
SCHILDERIJ
In de omlijsting van de tuin
stond ik plotseling bevroren.
In een doorzichtig Willink-licht
kregen de tulpen een gezicht
van was. Zou iemand mij nog horen?
Maar misschien kijk ik al lang
ingelijst vanaf 't behang.

Afsluiting
George Moormann en Dolly Bellefleur bedankten alle aanwezigen, dichters en
publiek, voor hun actieve inbreng. Moormann besloot met twee gedichten, waarvan
een een beeldgedicht was van Pierre Kemp. Dat drukte zo mooi zijn verrukking uit
toen Kemp voor het eerst in het Rijksmuseum ‘Het Joodse bruidje’ van Rembrandt
zag hangen:
HET ROOD VAN HET JOODSE BRUIDJE
Ik heb het Rood van ’t Joodse Bruidje lief,
van toen ik het zag voor het eerst
en ik nog niet begreep,
welk een verkering die dag begon.
Ik kwam er ook op dagen zonder zon,
of dat haar licht zich maar even verhief
en vloeide weg in een wankele streep,
dan zocht ik de nuance, die het teerst
en toch nooit diep genoeg
mij lang te blijven vroeg.
Ik zag het Bruidje met de linkerhand
piano spelen op de rechter- van
haar door de tijd bedeesde man
en ik werd niet jaloers. Dat was hún band.
Ik kwam niet door hun minne-schikking treden,
het is mij om het Rood van haar kleed en
anders niets te doen,
ook niet om de entourage in goudig-groen.
Alleen die kleur zien als een kleur van heden,
of Rembrandt naast mij er mee speelde
binnen de bronzen van de achtergrond
en welke kleuren hij er nog penseelde,
er toch die kleur voor alle tijden vond.
Ontstond zij met of zonder schilderstok,
het is zijn Rood, waarin hij zong Bruidjes rok;
het is mijn Rood, rondom haar rechterhand,
neen, geen fluwelen, franjes of kant,
het is maar rood, het Rood, dat ik aanbid,
vooral als ik in de zon naast Rembrandt zit.

Het laatste gedicht van deze middag was het stadsgedicht dat George Moormann
dit jaar schreef ter gelegenheid van het honderd-jarig bestaan van boekhandel H.
de Vries. Het staat in Hier vind je de hele wereld, Een eeuw H.De Vries
Boeken (90-75439-05-09: Charles Coster & Hans Hoffmann, @ H. de Vries
Boeken, 2005, Haarlem)
DE BOEKENGEK
Honderd jaar H. De Vries praat me er niet van
pleisters, verbandgaas, een plak volvette kaas,
van alles heb ik hier tussen de middag
als boekenlegger gevonden, dit city city
bang bang leven dat boem pats om het even,
oorsmeer of de mascara van een traan,
als een vieze vinger blijft plakken voordat het
oplost in de plooien van Sint Juttemis pij.
Mijn allergrootste nachtmerrie echter
is de kast Antarctica, niet de flora of de fauna
- het niet te verteren zo droevig lot van de
stormvogel of sneeuwwitte zuidpoolkip -
maar de hamvraag of meneer de ijsbeer
ze eigenlijk wel in het Engels leest,
de ‘penguins’ die hij voordat hij ze verscheurt
nog even met z’n snuit en klauwen keurt?
|